Sociale Zekerheid

Pensioenrechten

De wettelijke pensioenleeftijd is 65 jaar; deze leeftijd wordt opgetrokken tot 66 in 2025 en tot 67 jaar in 2030, bij een arbeidsverleden van ten minste 45 jaar. Sommige beroepsgroepen, zoals mijnwerkers, zeelieden en werknemers in de burgerluchtvaart kunnen onder voorwaarden vroeger met pensioen. Het pensioen bedraagt 60% van het gemiddelde jaarinkomen over de gewerkte periode van de verzekerde (75% indien de gepensioneerde is gehuwd en de partner geen inkomen geniet).

Om voor vervroegd pensioen in aanmerking te komen moet een werknemer 63 jaar zijn met 40 gewerkte jaren. Vanaf 2019 is dat 42 gewerkte jaren. Deze leeftijdseis ligt lager voor bepaalde groepen met een langer arbeidsverleden en wordt op dezelfde manier berekend als bij het ouderdomspensioen.

Deelpensioen gaat in met 65 jaar (dat wordt 66 in 2025 en 67 in 2030), bij een arbeidsverleden tot 45 jaar. De hoogte van het deelpensioen wordt bepaald door het aantal jaren dat men minder heeft gewerkt dan het aantal gewerkte jaren die zijn vereist voor een vol pensioen naar rato in mindering te brengen op het vol pensioen.

Gepensioneerden ontvangen jaarlijks in mei een vakantietoeslag, vanaf het tweede jaar van hun pensionering.

Een buitengewoon ouderdomspensioen kan (na een inkomenstoets) worden uitgekeerd aan de gescheiden partner van een pensioengerechtigde, vanaf 60 jaar. De hoogte bedraagt 50% van het ouderdomspensioen van de verzekerde (gebaseerd op 75% van het gemiddelde jaarinkomen van de ex-partner, verminderd met eventuele pensioenaanspraken die de gescheidene zelf heeft opgebouwd).

Voor de werknemers die gedurende 20 jaar nachtarbeid hebben verricht, gehandicapte werknemers en werknemers in fysiek veeleisende beroepen, is de leeftijdsgrens 58 jaar en de anciënniteitsvoorwaarde 33 jaar. Werknemers die betrokken zijn bij zware beroepen, moeten in de loop van de laatste tien kalenderjaren vóór het einde van hun arbeidsovereenkomst of ten minste zeven jaar in de loop van de laatste vijftien kalenderjaren fysiek zwaar werk hebben verricht gedurende ten minste vijf jaar.

De wettelijke mogelijkheid blijft bestaan voor werknemers van ondernemingen in economische moeilijkheden of die een herstructurering ondergaan. De minimumleeftijd wordt dan verhoogd van 53 naar 55 jaar.

Afhankelijk van de gezinssituatie ontvangt de werknemer 60% van zijn gemiddelde loon gerekend over zijn loopbaan (voor alleenstaanden) of 75% indien samenwonend met een inkomensafhankelijke echtgenoot/note of als iemand hoofd van een huishouden is.

(European Commission; http://www.socialezekerheid.fgov.be/docs/en/alwa2013_en.pdf);
http://www.propay.be/index.php?option=com_content&view=category&id=37&lang=en&Itemid=131&limitstart=12); http://www.luttepauvrete.be/chiffres_minimum.htm

Nabestaandenpensioen

De wet voorziet in een uitkering voor nabestaande weduwen of weduwnaren. Om hiervoor in aanmerking te komen dient de nabestaande partner ten minste 45 en-een-half te zijn (een leeftijd die geleidelijk wordt opgetrokken tot 55 in 2030), tenzij deze volledig arbeidsongeschikt is (d.w.z. ten minste 66%) of een van hem of haar afhankelijk kind heeft. De nabestaande partner moet bovendien ten minste een jaar met de overledene gehuwd zijn geweest (hierbij worden inbegrepen evt. periodes van legaal, maar ongehuwd samenwonen); deze voorwaarden vervallen als uit het huwelijk een kind is geboren (of binnen 300 dagen na de sterfdatum van de verzekerde), of als de dood het gevolg was van een beroepsgerelateerd ongeval of ziekte. Onder bepaalde omstandigheden vervalt het recht op een uitkering van de nabestaande. Dit is het geval als de rechthebbende opnieuw huwt.

De nabestaande echtgenoot/note heeft in principe recht op 80% van het feitelijke of hypothetische ouderdomspensioen van de verzekerde. Het pensioen van de overledene wordt berekend op basis van de lonen waarover premies werden betaald en aantal jaren dat daarmee was gemoeid. Indien de overledene minder dan 45 jaar premie heeft betaald, wordt het pensioen berekend naar rato van het aantal gewerkte jaren, vanaf de leeftijd van 20 tot het jaar voor het overlijden van verzekerde. Het maximale nabestaandenpensioen vermeerderd met het eventuele zelf opgebouwde pensioen van de nabestaande bedraagt 110% van dat eigen volledige pensioen. Een nabestaande echtgenoot/note kan 12 maanden lang een tegemoetkoming krijgen indien hij/zij niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het nabestaandenpensioen. Een dergelijke tegemoetkoming kan eenmalig worden uitbetaald tot een bedrag van bijna €150.

(Europese Commissie; http://www.socialezekerheid.fgov.be/docs/en/alwa2013_en.pdf; http://www.luttepauvrete.be/chiffres_minimum.htm)

Invaliditeitsuitkering

Om voor een invaliditeitsuitkering in aanmerking te komen, moet de verzekerde jonger zijn dan de normale pensioengerechtigde leeftijd en tenminste voor 66,7% ongeschikt zijn voor de uitoefening van enige beroep, na ten minste 120 dagen dekking in de 6-maands periode voorafgaande aan het begin van de invaliditeit, en op grond van een attest dat arbeidsgeschiktheid verklaart gedurende een voorafgaand jaar, terwijl de minimale contributies zijn betaald.

De invaliditeitsuitkering bedraagt 65% van het vorige inkomen indien de werknemer afhankelijke gezinsleden heeft. Heeft de werknemer geen financieel afhankelijke gezinsleden dan bedraagt de uitkering 55% of wordt deze verlaagd tot 40% indien de echtgenoot/note of samenlevende partner een bruto maandinkomen heeft dat een bepaalde drempel overstijgt.

Indien de verzekerde dagelijkse hulp nodig heeft, wordt vanaf de vierde maand een vaste tegemoetkoming verstrekt van ongeveer €17.

(Europese Commissie; http://www.socialezekerheid.fgov.be/docs/en/alwa2013_en.pdf; http://www.luttepauvrete.be/chiffres_minimum.htm)

loading...

CEU Ads