Loon en Werk

Minimumloon

De minimumlonen worden in het algemeen vastgesteld per sector door verantwoordelijke paritaire commissies. Indien er geen commissie is, is de werkgever verplicht het minimale maandloon te betalen dat is vastgesteld op nationaal niveau, ongeacht de sector. Deze nationale collectieve minimumlonen worden vastgesteld door de Nationale Arbeidsraad.

Het Gegarandeerde Gemiddeld Maandminimuminkomen (GGMMI) is het minimale bedrag dat een 21-jarige (of ouder) werknemer met een volledige baan in de private sector per maand betaald moet krijgen. Minder betalen dan het minimumloon is in België verboden. Dit GGMMI, geldend voor alle werknemers in de private sector, wordt collectief uit onderhandeld in de Nationale Arbeidsraad.

De minimumlonen voor de verschillende sectoren kunnen ook worden bepaald door Paritaire Onderhandelingscommissies op sectorniveau. De sectorale minimumlonen kunnen niet lager zijn dan het GGMMI. Het GGMMI is toepasbaar op alle voltijds werkenden van 21 jaar en ouder. Werknemers onder de 21 (van 16 tot 21 jaar) hebben recht op een lager minimuminkomen, uitgedrukt als een percentage van het sectorale of nationale minimumloon, variërend van 70% voor 16-jarigen tot 96% voor werknemers van 20 jaar.

Het GGMMI en de sectorale minimumlonen zijn geïndexeerd aan de Consumenten Prijs Index (CPI). Deeltijdwerkers hebben recht op het GGMMI naar rato van het aantal gewerkte uren (de voltijdswerkweek telt 38 uur).   

De werknemers van 16 jaar (of jonger) hebben recht op 70% van het GGMMI. Dit percentage is 76% voor werknemers van 17 jaar. Vanaf april 2013 krijgen de werknemers van 18 tot 20 jaar een hoger percentage van het GGMMI. Werknemers van 18 jaar kunnen aanspraak maken op 88% van het minimumloon, van 19 jaar op 92% van het minimumloon en van 20 jaar op 96% van het minimumloon.

De Loonnormeringswet uit 1996 stelt de marges vast waarbinnen werkgevers de lonen mogen verhogen. Het maximum is de norm die de sociale partners zijn overeengekomen, gebaseerd een richtlijn van de Sociaal-Economische Raad. Indien er geen overeenkomst door de sociale partners is bereikt, dan wordt het maximum vastgesteld bij Koninklijk Besluit.

Het amendement op de Loonnormeringswet uit 2017 schrijft voor dat de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid de bij cao overeengekomen loonnorm dient te formaliseren. Voor 2017-2018 is deze loonnorm/maximale verhoging vastgesteld op 1,1% en geformaliseerd in de nationale cao met het nummer 119. Schending van deze norm kan door de arbeidsinspectie worden beboet met een bedrag van € 250 tot € 5000 per werknemer. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met het aantal werknemers waarop deze schending betrekking heeft, tot een maximum van 100.

De Belgische Federale Overheidsdienst voor Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg ziet toe op handhaving van de wet op het minimumloon. Bij schending van deze wet kan het getroffen individu een klacht indienen bij de arbeidsinspectie.

Bron: CAO nummer 43 van de Nationale Arbeidsraad uit 1988, laatst gewijzigd in maart 2013; wet op de collectieve arbeidsovereenkomsten en paritaire comités van 1968; CAO 50bis van de Nationale Arbeidsraad van 28 maart 2013, ter wijziging van CAO nummer 50 van 29 oktober 1991 betreffende de garantie van een gemiddeld maandelijks minimuminkomen aan werknemers onder de 21 jaar; 

https://www.salairesminimums.be/document.html?jcId=31ff47e2da5043f0a1fe192a701fa020&date=01/05/2017

Details inzake het minimumloon vindt u in de sectie over Minimumloon.

Regulier loon

In overeenstemming met de Wet van 12 april 1965 inzake Bescherming van Werknemerscompensatie, "is het onwettig voor een werkgever om op enigerlei wijze de vrijheid van de werknemers in te perken om over hun inkomen te beschikken zoals zij dat wensen". De vergoeding voor verrichte arbeid kan worden uitbetaald in contanten of door een vorm van overboeking zoals via de bank, per cheque, postwissel en dergelijke. Loonbetaling in de publieke sector gebeurt in principe contant, maar de werknemer kan schriftelijk toestemming verlenen om zijn loon op enige van de bovenstaande overschrijvingswijzen uitbetaald te krijgen.

De vergoeding voor geleverde arbeid moet met regelmatige tussenpozen plaats vinden, maar ten minste twee keer per maand met een interval van 16 dagen. Handwerkers worden twee keer per maand betaald, bedienden ten minste eens per maand. Het salaris dient op een werkdag te worden betaald, op of nabij de plaats van het werk. Salarissen moeten op zijn laatst vier dagen na de gewerkte periode worden betaald, behalve wanneer een CAO een andere vervaldatum voorschrijft (met een maximum van zeven dagen na afloop van de gewerkte periode waarover de uitbetaling moet plaats vinden).

Bron: Wet op de bezoldiging van werknemers, 12 april 1965

Wetgeving loon en werk

  • Nationale Arbeidsraad uit 1988, laatst gewijzigd in maart 2013 / The Collective Bargaining Agreement No. 43 of 1988, last modified in March 2013
  • Wet op de collectieve arbeidsovereenkomsten en paritaire comités van 1968 / Law on Collective Labour Agreements and Joint Committees 1968
  • Wet betreffende de bescherming van het loon der werknemers, 12 April 1965 / Act on Protection of Workers' Remuneration 1965
loading...
Loading...